Cilindrische vijzel waarvan de bovenrand breder is dan de bodem. Vier verticale ribben, uitlopend in een klauw. Vierhoekig oor.Bodem is bol, raakt alleen in het midden de grond waardoor vijzel niet stabiel staat. Op de bolling is het metaal gesleten. Barsten in midden van onderkant. Vermoedelijk heeft men in vroeger tijden te hard met de stamper in de vijzel gestampt. Model wijst op het ribbentype (Germaans) van de hoog-Gotiek. Deze heeft een uitbuiging van de bovenrand ten opzichte van de bodem met een lichte zwelling aan de buitenkant onder de bovenrand. Heeft dikke wand en een brede grondplaat ontbreekt. Meestal hebben deze vijzels één vierhoekig oor met twee scherpe hoeken, waarvan het opgaande deel volkomen verticaal staat. Bij dit exemplaar is het opgaande deel echter licht gebogen. De versiering bestaat bij dit type uit vier gelijkmatig over de omtrek verdeelde, krachtige ribben, waarvan er één door het oor opgevangen wordt. De ribben zijn van boven veelal lelievormig, bij dit exemplaar is dat echter niet het geval, en beginnen in de bovenhelft van het lichaam. Zij worden naar onder dikker en lopen veelal uit in basementen van zuilen of in dierenklauwen. Hoog-Gotiek loopt van veertiende tot zestiende eeuw. Door MFA verkregen van dr. W. van der Wielen uit Zutphen uit de collectie van Prof. dr. P. van der Wielen.
Formaat
Hoogte: 17.5 cm Breedte: 17 cm Diepte: 18 cm
Documentatie
Dr. D.A. Wittop Koning, 'Nederlandse vijzels' (Amsterdam 1989), p. 16.